De actuele onrust over de staat van de democratie wordt vaak gekoppeld aan de opmars van populistische partijen. Een recente studie van de Utrechtse historicus Pepijn Corduwener draait dat perspectief om en richt zich op wat wegviel: de volkspartijen die de naoorlogse orde in West‑Europa decennialang droegen. Volgens die analyse is hun structurele neergang de sleutel om de politieke dynamiek van nu te begrijpen. Ook in Nederland biedt dat een bruikbaar verklaringskader voor de verschuivende machtsverhoudingen van de afgelopen decennia.
In het boek – waarin Nederland naast Duitsland, Frankrijk en Italië wordt geplaatst – wordt geschetst hoe democratie in Europa lange tijd vrijwel synoniem was met twee brede stromingen: de christendemocratie en de sociaaldemocratie. Deze partijen waren niet alleen electorale grootmachten; ze waren diep verankerd in maatschappelijke netwerken. Hun kracht lag in het samenbrengen van uiteenlopende groepen en in een praktische bereidheid tot compromis, waardoor bestuurlijke stabiliteit mogelijk werd.
De auteur laat zien hoe dat bestel onder druk staat. De klassieke volkspartijen zijn in verval geraakt en er is volgens hem geen aanwijzing dat zij hun vroegere dominante positie zullen herwinnen. De Nederlandse casus illustreert dat patroon. Waar eerder twee partijen – herkenbaar als de voorlopers van het huidige CDA en de PvdA – lange tijd tot de zwaargewichten behoorden, is dat tijdperk voorbij. De herinnering dat beide formaties ooit ieder om en nabij vijftig zetels wisten te behalen, fungeert in het boek als contrast met het huidige tijdsgewricht.
Belangrijk is de institutionele context waarin volkspartijen opereerden. In Nederland maakten zij deel uit van een bredere zuil met geassocieerde organisaties – van kranten tot publieke omroepen. Die infrastructuur bood mobilisatiekracht, kweekte politieke socialisatie en faciliteerde afspraken. Door het integrerende karakter van deze partijen konden tegengestelde belangen worden gebundeld binnen één formatie, met intern overleg en externe compromissen als werkwijze. Het gevolg was een politiek die, hoe conflictueus ook, meestal op bestuurbare uitkomsten uitliep.
Volgens de analyse in het boek is precies die samenbindende functie aan het eroderen. Waar brede netwerken en vaste achterbannen ooit houvast boden, ontbreekt dat nu steeds vaker. Daarmee verschuift het politieke werk noodgedwongen naar andere arena’s en vormen van samenwerking. Het boek biedt geen simpele remedie, maar presenteert een kader om huidige ontwikkelingen te duiden: minder vanzelfsprekende coalitievorming, meer schurende belangen aan de oppervlakte en een besluitvorming die intensiever moet worden georganiseerd om meerderheden te vinden.
Wat verstaat het boek onder ‘volkspartijen’?
De kernbegrippen die het historische model kenmerken, zijn:
- Diepe maatschappelijke worteling: partijen ingebed in netwerken, verenigingen en media.
- Brede vertegenwoordiging: het verenigen van diverse kiezersgroepen binnen één organisatie.
- Compromis als methode: het accepteren van interne en externe afspraakvorming om te besturen.
West‑Europese vergelijkingen
De studie legt parallellen tussen meerdere landen en twee grote politieke families die het naoorlogse bestel vormgaven.
| Land | Historische ankerpartijen |
|---|---|
| Duitsland | Christendemocraten, sociaaldemocraten |
| Frankrijk | Christendemocratische en sociaaldemocratische tradities |
| Italië | Christendemocraten, sociaaldemocraten |
| Nederland | Voorlopers van het CDA en de PvdA |
Nederland in het grotere verhaal
Voor wie de recente Nederlandse politiek volgt, biedt het betoog een ordenend perspectief. Het verklaart waarom brede machtsvorming minder vanzelfsprekend is dan in een tijd waarin twee grote volkspartijen het speelveld structureerden. Het helpt tevens begrijpen waarom discussies over bestuurbaarheid en representatie zo prominent zijn geworden: waar eerder veel belangen intern werden geschaard en vertaald in beleid, verschijnen ze nu direct in de politieke competitie. Dat maakt de afstemming complexer en vergroot de zichtbaarheid van politieke conflicten, ook al zijn conflicten op zichzelf niet nieuw.
De auteur plaatst die ontwikkeling nadrukkelijk in een historische lijn. Eerst werd democratie gevierd als eindpunt van de geschiedenis – na de overwinning op fascisme en communisme. Daarna sloeg de toon om naar zorgen over een ‘crisis van de democratie’. Door niet primair te focussen op de opkomst van nieuwe spelers, maar op de terugtocht van de oude ankers, verschuift de blik van symptoombeschrijving naar oorzakenonderzoek. Daarmee reikt het boek een analytisch instrument aan om het Nederlandse politieke landschap van de afgelopen decennia te lezen.
De implicatie is nuchter: als de historische draagbalken kleiner zijn geworden, vergt representatie en besluitvorming andere vormen van organisatie en meer expliciete compromisvorming over partijgrenzen heen. Of en hoe dat duurzaam wordt ingevuld, laat de studie open. Maar ze maakt duidelijk dat er geen snelle terugkeer te verwachten is naar het tijdperk waarin een handvol brede volkspartijen de instituties als vanzelfsprekend samenbonden.