De rechtbank in Den Haag heeft vrijdag geoordeeld dat het provinciebestuur van Zuid-Holland onvoldoende heeft gemotiveerd waarom vossen in het Rotterdamse havengebied mogen worden gevangen en gedood om meeuwen te beschermen. De vergunning die de provincie in april 2024 verleende aan de Faunabeheereenheid Zuid-Holland schiet volgens de rechter tekort in voorbereiding en motivering.
Wat staat er op het spel
De provincie stelde dat de toename van vossen samenhangt met de sterke afname van broedparen van twee meeuwensoorten: de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw. Uit de stukken blijkt dat het aantal vossen in het havengebied volgens de provincie sinds 2015 is gestegen van 3 naar 28. In dezelfde periode daalde het aantal broedparen van de zilvermeeuw van 3.670 naar 1.587 en van de kleine mantelmeeuw van 24.963 naar 14.469.
| Soort | Aantal broedparen (voor) | Aantal broedparen (nu) |
|---|---|---|
| Zilvermeeuw | 3.670 | 1.587 |
| Kleine mantelmeeuw | 24.963 | 14.469 |
| Vossen (2015 → nu) | 3 | 28 |
Waarom de rechtbank de ontheffing deels terugdraait
De rechter erkent wel dat er een plausibele relatie bestaat tussen meer vossen en minder broedende meeuwen, maar dat alleen is volgens de rechtbank geen voldoende grondslag om afschot toe te staan. Belangrijke punten uit het vonnis zijn:
- De provincie heeft niet voldoende onderzocht of minder ingrijpende maatregelen eerst mogelijk zijn, bijvoorbeeld het plaatsen van rasters op meer locaties.
- Het Havenbedrijf Rotterdam is volgens de rechtszitting nog bezig met het aanbrengen van afrasteringen en onderzoekt waar die verder kunnen worden toegepast, maar die inzet doorlooptijd is niet meegenomen in de motivering van de provincie.
- Het is onduidelijk hoeveel broedparen de provincie precies wil beschermen, zodat niet valt te beoordelen of afschot buiten de met rasters beschermde gebieden echt noodzakelijk is.
Wel toestemming waar vossen schade veroorzaken
Tegelijkertijd gaf de rechtbank de provincie wel gelijk voor een ander deel van de ontheffing: het voorkómen van graafschade. De rechter vond voldoende aangetoond dat holen graven door vossen schade kan veroorzaken aan taluds van wegen, spoorlijnen en tankdijken en dat dit consequenties kan hebben voor de openbare veiligheid. Voor dat doel is verstoring of verwijdering van voortplantings- en rustplaatsen toegestaan.
Wat betekent dit praktisch?
De uitspraak beperkt de reikwijdte van de ontheffing: grootschalig vangen en doden ten behoeve van het behoud van meeuwen kan nu niet doorgaan zonder nadere, zorgvuldige motivering en onderzoek naar alternatieven. Tegelijk blijft het toegestaan om in concrete gevallen op te treden als sprake is van risico's voor infrastructuur en openbare veiligheid.
Voor het provinciebestuur en de Faunabeheereenheid betekent de uitspraak waarschijnlijk dat zij hun besluit moeten heroverwegen of uitbreiden met aanvullende onderbouwing over:
- de concrete doelstelling (hoeveel broedparen moeten beschermd worden);
- de effectiviteit en toepasbaarheid van alternatieven, zoals afrasteringen op meer locaties;
- lokale afwegingen tussen natuurbeheer en veiligheid.
De zaak laat zien dat juridische toetsing een cruciale rol speelt wanneer natuurbescherming en fauna management zich raken aan procedurele zorgvuldigheid en proportionaliteit. Voor bewoners en bedrijven in het havengebied verandert op korte termijn niets aan een grootschalig afschotbeleid; voor locaties met direct risico op graafschade blijven gerichte maatregelen mogelijk.