In 2025 brachten huishoudens in Nederland gemiddeld 6 kilo minder huishoudelijk afval per persoon uit dan in het jaar ervoor. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De grootste daling is zichtbaar bij gft-afval (groente-, fruit- en tuinafval), terwijl de samenstelling van het totale ingezamelde afval grotendeels onveranderd bleef.
Aard en omvang van de afname
Gemeenten haalden landelijk in totaal ongeveer 8,1 miljard kilo huishoudelijk afval op. Per inwoner werd gemiddeld 87 kilo gft ingezameld, ruim 5 kilo minder dan een jaar eerder. Grof tuinafval nam eveneens af, van 24 naar 22 kilo per persoon. Restafval bleef vrijwel stabiel: gemiddeld 179 kilo per inwoner tegenover 180 kilo het jaar ervoor.
Weer en regio als verklaringen
Het CBS wijst erop dat droge periodes waarschijnlijk een rol speelden bij de afname van groenafval: planten groeien minder snel en er ontstaat minder snoeiafval en bladverlies. Tegelijkertijd tonen de cijfers dat er aanzienlijke regionale verschillen bestaan in de hoeveelheid restafval en in het aandeel gescheiden inzameling.
- Zuid-Holland had het hoogste restafval: gemiddeld 232 kg per inwoner.
- Noord-Holland volgde met 225 kg restafval per inwoner.
- Overijssel noteerde het laagste restafval: 112 kg per inwoner.
Hoeveelheid gescheiden ingezameld afval
Ongeveer 60 procent van het huishoudelijk afval werd in 2025 gescheiden ingezameld. Dat percentage is de laatste jaren weinig veranderd. Provinciale verschillen zijn groot: Overijssel scoort het hoogst met 74 procent, gevolgd door Gelderland en Limburg (beiden 72 procent). Zuid-Holland blijft achter op dit vlak met slechts 44 procent.
| Categorie | Gemiddeld per inwoner (kg) |
|---|---|
| Totaal huishoudelijk afval per inwoner | — (landelijk 8,1 miljard kg totaal) |
| Restafval | 179 kg |
| GFT-afval | 87 kg |
| Grof tuinafval | 22 kg |
Consequenties en aandachtspunten
Voor gemeenten en beleidsmakers betekenen deze cijfers dat weersinvloeden zichtbaar doorwerken in de afvalstromen en dat regionale aanpak strategieën vraagt. De geringe verschuiving in gescheiden inzameling suggereert dat bestaande inspanningen voor recycling en scheiding niet automatisch leiden tot snelle verbeteringen; lokale factoren en inzamelsystemen blijven belangrijk.
Voor bewoners zijn dit soort cijfers relevant bij discussies over afvalheffingen, bewonerscommunicatie en het organiseren van inzamelsystemen. De variatie tussen provincies kan aanleiding zijn voor gemeenten om elkaar te bevragen over succesvolle maatregelen en praktische verschillen in uitvoering.
Het CBS-rapport schetst een beeld van lichte verbetering in de totale hoeveelheid huishoudelijk afval, maar tegelijkertijd een bevestiging dat structurele veranderingen in scheiding en vermindering van restafval nog steeds een uitdaging vormen.